Top 10 fouten telefoneren in het Duits

1.Guten Mittag

‘Guten Mittag’ als begroeting en vertaling van ‘goedemiddag’ bestaat er niet. In plaats daarvan zeggen we ‘Guten Tag’. ‘Guten Morgen’ zeggen we tot ongeveer 10:00 uur en van 10 tot 18 uur ‘Guten Tag.’ Er is echter geen vaste regel zoals in Nederland, dus als je om 11:00 uur ‘Guten Morgen’ zegt, is het ook niet erg.

2. Mit Koen

Als we de telefoon opnemen, zeggen we in het Nederlands “Met + voornaam”. In het Duits is het anders. “Mit” laat je weg en in plaats van je voornaam, noem je je achternaam, bijv:

Jansen.

Dat is alles. Het klinkt wellicht onpersoonlijk maar is het niet. Wanneer je “mit” gevolgd door je voornaam blijft gebruiken, dan zal je Duitse gesprekspartner denken, dat je “Mitkoen” heet en zeggen: “Guten Tag Herr Mitkoen.”

3. Möchte ich Herrn Müller sprechen?

Als we telefoneren, willen wij vriendelijk overkomen. Het is dus logisch dat je een beleefde vraag begint met “Mag ik …?” Helaas is ‘mogen’ niet hetzelfde als ‘möchten’ in het Duits. ‘Möchten’ betekent ‘graag willen’, dus als je de vraag zoals boven stelt, betekent deze: ‘Wil ik graag de heer Müller spreken?’ Het klinkt een beetje vreemd om een ander te vragen wat je zelf wilt. Je kan beter vragen:

Kann/Könnte ich Herrn Müller sprechen?

De letterlijke vertaling van ‘mogen‘ is ‘dürfen’ maar omdat we hier niet om toestemming vragen maar een vraag gewoon beleefd willen formuleren is ‘können’ of ‘könnten’ een betere keuze.

4. Wollen Sie Ihren Namen wiederholen?

Wanneer we een verzoek beleefd willen formuleren, beginnen we in het Nederlands met “Wilt u …?”, bijv.: “Wilt u uw naam even herhalen?” Om hetzelfde effect in het Duits te bereiken, beginnen we een beleefd verzoek met ‘würden’ of ‘könnten’, bijv:

Würden/Könnten Sie bitte Ihren Namen wiederholen?

5. De j [je] van Julius

Het is handig om te kunnen spellen in het Duits. Niet alle letters worden namelijk op dezelfde manier als in het Nederlands uitgesproken en een voorbeeld daarvan is ‘j’. ‘J’ spreken we als ‘jot’ uit. Verder laten we bij het spellen ‘de’ weg en in plaats van ‘van’ zeggen we ‘wie’, dus:

J [jot] wie Julius

6. Kann ich Sie helfen?

Wanneer zeg je in het Duits ‘Sie’ en wanneer ‘Ihnen’? Ook als je het weet, kun je in deze vraag een fout maken want ‘helfen’ is een uitzondering. Als je ‘helfen’ zegt, moet je altijd ‘Ihnen’ gebruiken, dus:

Kann ich Ihnen helfen?

7. Möchten Sie einen Bericht hinterlassen?

‘Bericht’ betekent ‘verslag’. De correcte vraag luidt dus:

Möchten Sie eine Nachricht hinterlassen?

8. Wenn ist er wieder da?

‘Wenn’ betekent ‘als’ en ‘wanneer’ betekent ‘wann’. Makkelijk te onthouden, want in het eerste gedeelde van het woord ‘wanneer’ heb je al ‘wann’ staan. De correct vraag luidt dus:

Wann ist er wieder da?

9. Ich soll ihm sagen, dass Sie angerufen haben.

‘Sollen‘ betekent ‘moeten‘ en ‘zullen‘ betekent ‘werden’. In dit geval zeg je dus:

Ich werde ihm sagen, dass Sie angerufen haben.

10. Da sprechen Sie mit?

‚Daar spreekt u mee‘ handig wanneer iemand naar je vraagt, terwijl hij al met je spreekt. In het Duits zeg je:

Am Apparat.

Share

geen reacties

geef een reactie